Het standaard Van Dale-woordenboek schrijft over ‘snackbar’ dat de term uit het Engels komt en na 1950 opduikt. Taalwetenschappers die verder zochten, kwamen tot een heel andere conclusie.

Snèkbar of snakbar? Snacken, uitgesproken als snakken, is eeuwenoud Nederlands. Volgens taalwetenschappers is het sinds 1437 in gebruik. Betekenissen: babbelen, praten, gretig happen. De eerste snackbars openden in 1922 in de regio Rotterdam-Schiedam, Amsterdam volgde in 1936. Interviewde ik in mijn beginjaren oudere ondernemers voor Snackkoerier (snèkkoerier), dan zeiden die vaak nog snakbar. In de jaren 1970-1975 nam de Engelse uitspraak steeds nadrukkelijker de overhand. Ik heb altijd snèkbar gezegd. Is het de schuld van mijn generatie dat wij de snakbar collectief op z’n Engels uitspreken? Mijn excuses. Snacken/snakken heeft ook eeuwen lang nog deze betekenis: zeer sterk naar iets verlangen. Zelf snak ik regelmatig naar een snak van de snakbar.
Redacteur Ubel Zuiderveld schrijft op gezette tijden columns van 111 woorden, zogenaamde honderdelfjes, over de frituurwereld.