Cafetaria misbruikt voor symboolpolitiek?

Achtergrond |
21 september 2020 |
Leestijd ± 4 tot 6 minuten
Foto: Rijksoverheid.nl | Paul Blokhuis, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Grote producenten van frisdranken blijven vooralsnog buiten schot bij maatregelen die voortvloeien uit het Nationaal Preventieakkoord. Staatssecretaris Paul Blokhuis voelt niets voor een suikertax op frisdrank, nadat producenten aangaven zelf het suikergehalte terug te zullen brengen. Zijn de frituurspeciaalzaken straks het kind van de rekening?

De staatssecretaris zei namelijk dat hij andere maatregelen wil nemen om overgewicht tegen te gaan. Blokhuis lijkt van zins ongezond geacht voedsel duurder te maken en kijkt daarnaast naar de lokale politiek voor oplossingen. In de publieke opinie en gemeenten wordt dan al snel naar twee symbolen gewezen: frituurspeciaalzaken en fastfoodbedrijven. Worden de cafetaria, snackbar en frituur straks misbruikt als kop van Jut bij lokale symboolpolitiek?

Beeldvorming

Veel ondernemers met frituurspeciaalzaken, hebben het gevoel dat zij vaak de zwarte piet krijgen toegespeeld bij discussie over overgewicht en welvaartsziekten. In de media, van het NOS Journaal tot Nu.nl, worden bij de berichtgeving over obesitas vaak friet, snacks en hamburgers als een soort van symbool getoond. Het gebeurt zo vaak, dat veel frituurondernemers er wanhopig van worden. Je vraagt je af: wat zouden frisdrankfabrikanten ervan vinden als steevast hun producten in beeld worden gebracht?

Symboolpolitiek

Symboolpolitiek is meer dan symboliek. Het heeft terdege invloed op de beleving van mensen. Net als de media, bedient ook de lokale overheid zich van makkelijke symboliek. In een poging de openbare ruimte minder obees te maken, werpen steeds meer gemeenten een dam op voor eetverkopers die zij onverantwoord achten. In menige gemeente, maar ook bijvoorbeeld in gemeentelijke zwembaden, legt de lokale politiek beperkingen op voor de verkoop van bijvoorbeeld friet. Zo worden nieuwe frietzaken soms geweerd. Suikerhoudende frisdranken, chips of candybars van multinationale ondernemingen en supermarkten blijven veelal buiten schot.

Het is symboolpolitiek waarmee een typisch Nederlands product als friet wel gedemoniseerd lijkt te worden. De vraag is bovendien gerechtvaardigd hoe effectief dit beleid is om overgewicht tegen te gaan. Je kunt zeker 9 redenen bedenken waarom dit niet het geval is:

  1. Zéér gering maagaandeel
    De circa 5700 cafetaria’s, snackbars en frituren hebben een zeer gering aandeel in de Maag van Nederland. Aan eten en drinken wordt in ons land ongeveer 65 miljard euro uitgegeven. Met circa 1,2 miljard euro, hebben de frituurspeciaalzaken een omzetaandeel van nog geen 2 procent. Het aandeel in het totale aantal calorieën is nog veel geringer. Gebaseerd op de FSIN-prijssegment index, hebben frituurspeciaalzaken een maagaandeel van ruim een half procent.
  2. Frituren, een bereidingsmethode
    Over frituren (formeel: “diepfrituren”) bestaan veel misvattingen. Het is niet meer en niet minder dan een bereidingsmethode; net als koken, braden, stomen en de magnetron. Duizenden jaren geleden werd in Mesopotamië al gefrituurd. De oude Grieken deden het al; een deel van de joodse keuken is er zelfs op gebaseerd. De bereiding geschiedt in verhitte oliën of vetten. Goede vetten bevatten niet alleen essentiële voedingswaarden, ze zorgen ook voor een optimaal transport van vitaminen, zodat het lichaam die (maar ook eventuele medicijnen) goed kan opnemen.
  3. Perceptie vaak onterecht
    De kennis over veel kernproducten van frituurspeciaalzaken laat te wensen over. Een gemiddelde kroket heeft ongeveer 130 kilocalorieën, een grote 190. Ter vergelijking: een broodje kaas telt er circa 360, een tosti ongeveer 460. Het hoeft geen betoog dat een broodje dat royaal belegd is met brie, ooit gepromoot voor de Gezonde Schoolkantine, het aantal kilocalorieën van een kroket in de schaduw zet. Ook bij het vetgehalte, wijkt de werkelijkheid vaak af van de perceptie. In onderzoek van een frietfabrikant gaven consumenten te kennen dat volgens hen een kwart van friet uit vet bestaat. De werkelijkheid is dat friet uit de diepfrituur gemiddeld 11 tot 14 procent vet heeft.
  4. Kernproduct is groente
    Er zijn deskundigen, zoals smaakdeskundige Peter Klosse, die vinden dat friet door het Voedingscentrum ten onrechte wordt weggezet als zetmeelproduct dat met mate moet worden gegeten. “Goed afgebakken friet, is gewoon aardappel. En de aardappel is groente,” aldus Klosse. Je zou de aardappel zelfs superfood kunnen noemen: in elk geval scoort het op alle relevante parameters beter dan quinoa, dat nog kortgeleden als superfood is aangeprezen. Zouden we de aardappel gewoon als groente beschouwen, dan is meteen het probleem opgelost dat we te weinig groenten eten in Nederland.
  5. Minder vlees, géén verspilling
    Het aanbod aan gefrituurde vegetarische snacks neemt ook in de cafetaria, snackbar en frituur zienderogen toe. Frituurspeciaalzaken zijn daarnaast zeer goed in staat de grote groep van flexitariërs te bedienen. Algemeen is de opinie dat minder vlees eten goed is voor de mens, maar ook voor onze planeet. Veel reguliere snacks in frituurbedrijven bevatten hooguit enkele tientallen grammen vlees. Ze passen dus uitstekend bij de bewust vleesminderende flexitariër. Daarnaast wordt in veel snacks seperatorvlees gebruikt; in deze zin is sprake van restverwerking. Omdat het daarnaast vaak diepvriesproducten betreft, is bij cafetaria, snackbar en frituur minimaal sprake van foodverspilling. Friet, gebakken in plantaardige olie, past vanzelfsprekend uitstekend in zowel een veganistisch als vegetarisch dieet.
  6. Ongezond voedsel bestaat niet
    Professor foodwetenschapper Tiny van Boekel betoogt dat ongezond voedsel helemaal niet bestaat. Zolang mensen gevarieerd eten, niet teveel nemen en voldoende bewegen, is er niets loos. Friet past wat Van Boekel betreft, mits vakkundig gebakken, prima in een verantwoord voedingspatroon. Van Boekels slotsom: “Ongezond voedsel bestaat niet; een ongezond voedingspatroon wel.” Op de website Dewaarheidoverfriet.nl licht hij zijn betoog nader toe.
  1. Veel inspanningen geleverd
    De frituurbranche leverde de afgelopen jaren veel inspanningen om een bijdrage te leveren aan een verantwoorder eetpatroon. Zo zijn de schadelijke, kunstmatig geharde (trans)vetten uit frituurvetten uitgebannen. Hoewel de discussie over vetten en oliën nog volop wordt gevoerd, frituurt een groot deel van de bedrijven in vloeibare plantaardige vetten. Maar ook met vast plantaardig of dierlijk frituurvet is niks mis. Daarnaast daalde de aanbevolen afbaktemperatuur van gemiddeld 190 naar gemiddeld 175 graden om overmatige vorming van acrylamide in te beperken. De branche is daarnaast spaarzamer met zout.
  2. Sociaal gezond
    Met de ontkerkelijking en het verdwijnen van buurthuizen en buurtcafés uit veel wijken in Nederland, bekleedt menig cafetaria, snackbar en frituur er een prominente rol. Dit stelde ook wetenschapper Kirsten van Gorkum vast in haar studie “Frietje is sociaal gezond”. Voor haar onderzoek bezocht ze vijftig frietzaken en observeerde ze er de mensen. Ze stelde vast dat de buurtfunctie van frituurspeciaalzaken (vaak) wordt onderschat. Van Gorkum meent dat bij gezondheidscampagnes de sociale functie van frietzaken over het hoofd wordt gezien.
  3. Genieten is gezond
    De laatste overweging is enigszins triviaal. Frituurspeciaalzaken hebben een breed assortiment van maaltijden, belegde broodjes, salades, ijs, dranken en frituurgerechten. In het assortiment staan genietgerechten als friet, kroket, frikandel en softijs centraal. Genieten is gezond. Hoe gezond het is om even lekker te genieten van een frietje mét; dat is eigenlijk een wetenschappelijk onderzoek waard.

Trouwens; er zijn wetenschappers die menen dat wij zeker niet minder moeten eten dan 2000 kilocalorieën (vrouwen) of 2500 kilocalorieën (mannen) per dag. We zouden dan mogelijk te weinig relevante voedingsstoffen binnenkrijgen, stellen zij. Het algehele probleem van overgewicht, lijkt dan ook vooral een kwestie van te geringe verbranding. We bewegen simpelweg te weinig. Tachtig jaar geleden bestond obesitas bijna niet. Wel hadden we dagelijks 4000 tot 5000 kilocalorieën nodig; gewoon omdat we nog veel lichamelijke arbeid verrichtten.